Les 26

  Oplossingen
Plaats de cursor op een veld om de oplossing zichtbaar te maken

Oefening 1
أيَّ كُتُبٍ يَلْزَمُ عَلَيْنَا أَنْ نَقْرَأَ ؟ مِنْ فَضْلِكَ أَرِنَا \ مِنْ فَضْلِكِ أَرِينَا إِيَّاهَا قَبْلَ ٱلْمَسَاءِ.
أَلَمْ يَعُودُوا ؟ لَعَلَهُمْ لَا يَعْرِفُونَ ٱلطَّرِيقَ فِي ٱلْأَزِقَّةِ ٱلضَّيِّقَةِ \ أَلَمْ يَعُدْنَ ؟ لَعَلَهُنَّ لَا يَعْرِفْنَ ٱلطَّرِيقَ فِي ٱلْأَزِقَّةِ ٱلضَّيِّقَةِ.
يَسُرُّهَا أَنَّكُمْ أَعْطَيْتُمْهَا إِيَّاهُ. \ يَسُرُّهَا أَنَّكُنَّ أَعْطَيْتُنَّهَا إِيَّاهُ.
جَلَسَ ٱلخَطَّاطُ يَنْتَظِرُ عَوْنَ رَبِّهِ.
Oefening 2
بِأَنَّنِي
regel 2
dat ik
عَلَى هٰذِهِ ٱلْحَالِ
regel 2
Het woord حال kan zowel mannelijk als vrouwelijk zijn.
عُدتُّ أَتَسَاءَلُ
regel 2
Ik ging mij opnieuw afvragen; عَادَ gevolgd door imperfectum: iets opnieuw doen.
ٱسْمُهُ ٱلْقَدِيمُ
regel 3
zijn oude naam; dat is het onderwerp van بَعَثَ.
وَٱلْحَقُّ أَنِّي عَجِبْتُ كَيْفَ
regel 4
om eerlijk te zijn verbaasde ik mij waarom (lett. en de waarheid is dat ik mij verbaasde hoe)
مُرْتَدِيًا جَاكِيةً
regel 6
een jasje dragend; toestandsaccusatief van actief deelwoord van stam VIII مُرْتَدِيًا met lijdend voorwerp جَاكِيةً.
فَقُلْتُ أَفُضُّ
regel 8
Het onderwerp van قُلْتُ is hetzelfde als dat van أَفُضُّ daarom kan de toestandszin meteen het het imperfectum beginnnen; bovendien kan men zeggen dat met قُلْتُ een doelgerichte handeling wordt uitgdrukt: Ik sprak om te verbreken
بِٱلْقَوَاعِدِ ٱلْمُتَّبَعَةِ
regel 8
met/door middel van de in acht te nemen formules; مُتَّبَعَة.
وَهُوَ يَسْأَلُنِي عَنْ مَطْلَبِي
regel 9
toestandszin: terwijl hij mij naar mijn verzoek vroeg.
عَلَى أَيِّ حَالٍ
regel 13
in ieder geval
وَأَنْتَ خَارِجٌ مَنْ هُنَا
regel 14
nominale toestandszin: terwijl je hier naar buiten gaat; het actieve deelwoord خَارِجَةٌ is predicaat bij أَنْتَ.
بَحْثًا
regel 15
met zoeken; بَحْثًا is een maṣdar en specificeerd het werkwoord قَضَيْتَ
تَجِدُهُ
regel 16
van وَجَدَ \ يَجِدُ vinden
رَجُلٌ يُحَيِّرُ ٱلْعُقُلَ
regel 17
een man die het verstand in verwarring brengt; bij يُحَيِّرُ begint een betrekkelijke bijzin
ٱلظَّاهِرُ أَنَّ
regel 19
het is duidelijk dat; lett. het duidelijke is dat
لِمَا لَا
regel 21
waarom niet
خَرِيطَةً شَامِلَةً أَحْيَاءَهُ
pagina 351, regel 1
een kaart omvattend de wijken ervan / een kaart die de wijken ervan omvatte; bij het actieve deelwoord شَامِلَةً , dat zelf een onbepaald attribuut bij خَرِيطَةً is, staat أَحْيَاءَهُ als complement in de accusatief
اَلرَّسْمُ خَيْرُ مُرْشِدٍ
regel 4
de tekening is de beste gids; dit is een nominale zin met اَلرَّسْمُ als onderwerp en خَيْرُ مُرْشِدٍ als predicaat; خَيْرُ is hier een elatief.
لَا يُمَيَّزُ مِنْهُمْ
regel 5
bij een ontkennende passieve persoonsvorm in het imperfectum mag het element kunnen toegevoegd worden: hij kan niet van hen onderscheiden worden
مِنْ سَنَوَاتٍ
regel 6
sinds jaren
شَوَاغِلُ ٱلدُّنْيَا
regel 6
de beslommeringen van de wereld zijn het onderwerp van شَغَلَتْنِي
سُؤَالُكَ
regel 7
jouw vraag is het onderwerp bij أَعَادَنِي
كَوَّاءٌ
regel 12
strijker; iemand die beroepsmatig kleren strijkt
اِذْهَبْ
regel 14
ga; imperatief