Oefening 3
1.a De kinderen schreeuwen terwijl zij op straat spelen.
يُنَادِي ٱلْأَوْلاَدُ يَلْعَبُونَ فِي ٱلشَّوَارِعِ.
1.b De kinderen schreeuwen al spelende op straat.
يُنَادِي ٱلْأَوْلاَدُ لاَعِبِينَ فِي ٱلشَّوَارِعِ.
2.a De studentes gingen in het leslokaal zitten lachen (/gingen
in het leslokaal zitten terwijl zij lachten).
جَلَسَتِ ٱلطَّالِبَاتُ فِي غُرْفَةِ ٱلدَّرْسِ يَضْحَكْنَ.
2.b De studentes gingen lachend in het leslokaal zitten.
جَلَسَتِ ٱلطَّالِبَاتُ فِي غُرْفَةِ ٱلدَّرْسِ ضَاحِكَاتٍ.
3.a Mijn vriendin ging aan mij voorbij terwijl zij “Goedemorgen!” zei.
مَرَّتْ بِي صَدِيقَتِي وَهِيَ تَقُولُ: صَبَاحَ ٱلْخَيْرِ!
3.b Mijn vriendin ging aan mij voorbij zeggend “Goedemorgen!”.
مَرَّتْ بِي صَدِيقَتِي قَائِلَةً: صَبَاحَ ٱلْخَيْرِ!
4.a Ik heb de kleine jongen zien slapen (/gezien terwijl hij sliep)
رَأَيْتُ ٱلْوَلَدَ ٱلصَّغِيرَ وَهُوَ يَنَامُ.
4.b Ik heb de kleine jongen zien slapen (/slapend gezien).
رَأَيْتُ ٱلْوَلَدَ ٱلصَّغِيرَ نَائِمًا.
5.a De politieagent ging schreeuwend zijn kantoor uit (/terwijl hij schreeuwde).
خَرَجَ ٱلشُّرطِيُّ مِنْ مَكْتَبِهِ وَهُوَ يَصِيحُ.
5.b De politieagent ging schreeuwend zijn kantoor uit.
خَرَجَ ٱلشُّرطِيُّ مِنْ مَكْتَبِهِ صَائِحًا.
Oefening 5
هٰذَا كُلُّهُ يَجْرِي وَٱلْمَلِكُ شَاهْزَمَانُ قَدْ شَاهَدَ ذٰلِكَ جَمِيعًا.
Dit alles gebeurde terwijl
koning Shahzamaan het allemaal gezien had.
لَمَّا رَأَى شَاهْزَمَانُ إِلَى فِعْلِ زَوْجَةِ أَخِيهِ ٱلْمَلِكِ ٱلْأَكْبَرِ
Toen Shahzamaan (naar)
de daad van de echtgenote van zijn broer de oudere koning zag (/keek),
وَنَظَرَ إِلَى هٰذِهِ ٱلْمِحْنَةِ ٱلْعَظِيمَةِ فِي قَصْرِ أَخِيهِ
en hij naar deze
enorme ramp in het paleis van zijn broer keek
- عَشَرَةُ عَبِيدٍ فِي زَيِّ ٱلْجَوَارِي يَنَامُونَ فِي قَصْرِهِ عِنْدَ سَرَارِيهِ -
– twintig slaven in de kleding
van slavenmeisjes slapend in zijn paleis bij zijn concubines –
وَتَأَمَّلَ زَوْجَتَهُ وَٱلْعَبْدَ مَسْعُودًا
en hij zijn echtgenote en de
slaaf Masoed overdacht
فَٱنْفَرَجَ مَا كَانَ بِهِ مِنَ ٱلْهَمِّ وَٱلْوَسْوَاسِ
ontspande zich wat er in hem zat
aan zorg en zwaarmoedigheid (/melancholie)
وَقَالَ « هٰذَا حَالُنَا، وَأَخِي مَلِكُ ٱلْأَرْضِ وَٱلْحَاكِمُ عَلَى طُولِهَا وَٱلْعَرْضِ
en hij zei: "Dit is onze situatie;
mijn broer is de koning van het land (lett. het gebied)
en de heerser over de lengte en breedte ervan.
وَقَدْ عُدِيَ عَلَيْهِ فِي مُلْكِهِ، فِي زَوْجَتِهِ وِسَرَارِيهِ،
Hem werd (/is) onrecht aangedaan in
zijn heerschappij (/koningschap), bij (/met betrekking tot;
er zijn verschillende mogelijkheden fī te vertalen)
zijn echtgenote en zijn concubines,
وَٱلْمُصِيبَةُ عِنْدَهُ فِي ٱلْبَيْتِ،
terwijl (/en) de ramp (/is) bij hem
thuis is.
فَمَا هٰذَا كَثِيرٌ فِي حَقِّي أَنَا،
Hoe erg is dit in vergelijking met mij
(lett. Wat veel is dit ten aanzien van mij)
وَإِنِّي كُنْتُ أَظُنُّ أَنْ لَمْ يُصَبْ إِلَّا أَنَا.
Ik dacht werkelijk dat alleen ik (door
ongeluk) getroffen werd (lett. dat niemand (door ongeluk)
getroffen werd behalve ik).
وَمَا أَرَى إِلَّا ٱلنَّاسَ كُلَّهُمْ أُصِيبُوا،
maar (/en) ik zie (nu) dat alle mensen getroffen
worden (lett. en ik zie niet (iets) behalve (dan) dat alle mensen
getroffen worden).
وَوَٱللّٰهِ إِنَّ مُصِيبَتِي أَهْوَنُ مِنْ مُصِيبَةِ أَخِي».
Bij God (ik zweer) mijn ramp (/ongeluk)
is werkelijk kleiner (/geringer, onbetekenender) dan de ramp
(/het ongeluk) van mijn broer.
ثُمَّ نَسِيَ هَمَّهُ وَسَلِيَ مُصِيبَتَهُ
Vervolgens vergat hij zijn zorg
en zette hij zijn ramp uit zijn hoofd.
وَأَتَاهُ ٱلْعَشَاءُ فَأَكَلَ بِنَهْمَةٍ وَمَسَرَّةٍ وَأَتَاهُ ٱلشَّرَابُ فَشَرِبَ بِنَهْمَةٍ.
Het avondeten kwam tot hem
en hij at met trek (/hij at gretig) en (met) plezier (/vreugde);
de drank kwamen tot hem en hij dronk met trek.
وَأَقَامَ يَأْكُلُ وَيَشْرَبُ مُدَّةَ عَشَرَةِ أَيَّامٍ.
Hij bleef eten en drinken voor een
periode van tien dagen.
وَأَتَى أخُوهُ ٱلْمَلِكُ شَاهْرِيَارُ مِنَ ٱلصَّيْدِ فَٱسْتَقْبَلَهُ شَاهْزَمَانُ فَرْحَانًا
Zijn broer koning Shahriyaar
kwam terug van de jacht en zo ontving Shahzamaan hem blij.
وَوَقَفَ فَي خِدْمَتِهِ وَبَشَّ فِي وَجْهِهِ.
Hij ging in zijn dienst staan
(/stond tot zijn dienst) en lachte in zijn bijzijn
(lett. in zijn gezicht).
وَٱسْتَوْحَشَ لَهُ أَخُوهُ ٱلْمَلِكُ شَاهْرِيَارُ وَقَالَ
Zijn broer koning
Shahriyaar had hem gemist en zei:
«وَٱللّٰهِ يَا أَخِي لَقَدْ أَوْحَشْتَنِي مِنْ هٰذِهِ ٱلسَّفْرَةِ.
“Bij God (ik zweer) ik
heb je gemist tijdens (/door) deze reis.
وَكُنْتُ أُرِيدُ أَنْ تَكُونَ فِي صُحْبَتِي».
en ik wilde dat je in
gezelschap was.”
فَشَكَرَهُ أَخُوهُ وَجَلَسَ يُنَادِمُ أَخَاهُ إِلَى أَنْ أَمْسَى ٱلْمَسَاءُ
Zijn broer dankte hem en
hij ging met hem (/zijn broer) zitten drinken tot het
avond werd.
فَقُدِّمَ لَهُمُ ٱلطَّعَامُ فَأَكَلَا وَشَرِبَا وَأَكَلَ وَشَرِبَ شَاهْزَمَانُ بِنَهْمَةٍ.
Zo werd hun het eten voorgezet
(aṭ-ṭaʿāmu is het onderwerp van de passieve persoonsvorm qudima)
en beiden aten en dronken. Shahzamaan at en dronk met gretigheid.
قَالَ «مَا هُوَ يَا أَخِي؟»
Hij zei: “Wat is er (lett.
het) (oh mijn) broer?”
قَالَ «قَدْ رَأَيْتُكَ أَوَّلَ قُدُومِكَ عَلَيَّ وَقُعُودِكَ عِنْدِي»،
Hij zei: “Ik had je gezien
de eerste keer dat je voor mij verscheen (lett.
het eerste van verschijnen van jou voor (lett. op) mij)
en bij mij zat (lett. het zitten van jou bij mij)
وَأَنْتَ كُلَّمَا يَمُرُّ عَلَيْكَ يَوْمٌ تَنْقُصُ فِي عَيْنَيَّ حَتَّى تَغَيَّرَ وَجْهُكَ وَٱسْتَحَالَ لَوْنُكَ وَقَصُرَتْ هِمَّتُكَ،
terwijl jij, telkens als er een dag aan
jou voorbij ging, dunner werd in mijn ogen totdat je gezicht veranderd
was en je kleur veranderd was en je vitaliteit afnam (/verminderde).
فَأَشْتَهِي أَنْ تُخْبِرَنِي عَنْ هٰذَا ٱلْأَمْرِ
Ik wens dat je mij over deze zaak inlicht
وَتَقُولَ لِي مَا ٱلسَّبَبُ فِي تَغْيِيرِكَ عِنْدِي أَوَّلَ مَرَّةٍ وَمَا سَبَبُ رُجُوعِ لَوْنِكَ،
en mij zegt wat de oorzaak was voor
je verandering de eerste keer bij mij, en wat de oorzaak is
voor het terugkeren van je kleur.
وَلَا تَكْتُمْنِي مِنْ أَمْرِكَ شَيْـًٔا.
Verberg niets van je zaak voor mij.